Stichting Onderzoek en Preventie Zuigelingensterfte - Stichting Wiegedood

Stichting Wiegedood
Stichting Wiegedood
 

Stichting

Informatie

Actuele berichten

Herhaling wiegendood in gezin meestal onverdacht

 
update: april 2005

LONDEN - Een tweede of zelfs een derde geval van wiegendood in een gezin is iets minder uitzonderlijk dan tot nog toe werd aangenomen. In verreweg de meeste gevallen valt dit overlijden ook na grondig onderzoek niet te verklaren. In een kleine minderheid echter is er reden de dood als 'onnatuurlijk' te verklaren, dat wil zeggen toe te schrijven aan (mis)handelen door een ouder of verzorger of aan het onthouden van zorg. Die conclusie wordt getrokken in een studie naar de lotgevallen in het eerste levensjaar van 6373 Britse kinderen die volgend op een wiegendoodbaby werden geboren. Het volledige onderzoek is gepubliceerd in het toonaangevende medische tijdschrift The Lancet van 1 januari 2005.

De studie maakt duidelijk dat een jaar geleden terecht de wetenschappelijke bodem is weggeslagen onder wat bekend stond als 'Meadow's Law' - de lange tijd in Groot-Brittanniƫ als vuistregel gehanteerde opvatting van kinderarts prof. Sir Roy Meadow: "EƩn geval van wiegendood is een tragedie, bij een tweede keer is het verdacht en bij een derde keer is het moord, tenzij het tegendeel wordt bewezen". Nadat in drie beroepszaken ernstige twijfel was gerezen aan de houdbaarheid van deze redenering, zag de Engelse justitie zich geplaatst voor de noodzaak om 297 vonnissen wegens kindermoord opnieuw te bezien. Inmiddels heeft de justitie vastgesteld dat 28 zaken over een periode van tien jaar voor herbeoordeling in aanmerking komen; vijf daarvan zijn inmiddels in behandeling, in een zesde geval is een moeder die twee kinderen verloor onlangs vrijgesproken.

De in The Lancet gepubliceerde studie is uitgevoerd onder leiding van de Engelse epidemioloog prof. Bob Carpenter, met medewerking van onder anderen de Nederlandse kinderpatholoog prof. Jonne Huber. De onderzoekers konden dank zij hun zogeheten CONI (care of next infant)-programma, bijna alle kinderen volgen die werden geboren in gezinnen waar eerder een baby onverwacht was overleden. Haast alle in aanmerking komende ouders in Engeland, Wales en Noord-Ierland maken gebruik van dit programma, dat intensieve begeleiding biedt.

Tussen 1988 en 1999 volgde CONI 6373 kinderen in 5229 gezinnen. In 1144 gevallen (22 procent) ging het om een broertje of zusje van een eerder CONI-kind. Van alle gevolgde kinderen overleden er in het eerste levensjaar 57. In 9 gevallen was dat het gevolg van een bekende ziekte of een aangeboren afwijking. In 41 van de 48 resterende gevallen leidde nauwgezet onderzoek tot de conclusie van een weliswaar onverklaarbare, maar natuurlijke dood. Zeven maal rees er een ernstig vermoeden of werd infanticide aangetoond, in twee gezinnen werden twee volgende baby's het slachtoffer.

Prof. Huber wijst erop dat de grote omvang van de studie het mogelijk maakt de herhalingskans van wiegendood en het aandeel van infanticide betrouwbaar te kwantificeren, meer dan tot nog toe mogelijk was, in elk geval voor Engeland. "Wij hebben gevonden dat in ongeveer 10 procent van de gezinnen waar zich een volgende wiegendood voordeed, er sprake was van een onnatuurlijke oorzaak van overlijden. Voor de totale sterfte onder het beeld van wiegendood is het 3 tot 4 procent. Er is dus geen reden om ouders na een onverwacht en plotseling overlijden zonder meer onder verdenking te plaatsen. Wel is het zaak om in alle gevallen van plotseling en onverwacht overlijden een volledig pediatrisch en postmortaal onderzoek in te stellen om zo dicht mogelijk bij de oorzaak te komen. Dat biedt getroffen ouders de grootst mogelijke kans om te weten te komen wat er is gebeurd en hen te vrijwaren van onterechte verdenking bovenop hun al zo grote verdriet.''