Stichting Onderzoek en Preventie Zuigelingensterfte - Stichting Wiegedood

Stichting Wiegedood
Stichting Wiegedood
 

Stichting

Informatie

Actuele berichten

Deze rubriek bevat berichten over onderwerpen met actualiteitswaarde, ook al dateren zij soms van enige tijd terug. De index geeft een overzicht van de onderwerpen die aan de orde komen: 



Wiegendood blijft laag in 2009 

 
26 juli 2010
 
DEN HAAG – Het aantal baby’s dat slachtoffer wordt van wiegendood blijft laag in Nederland. Weliswaar kroop het aantal in 2008 voor het derde achtereenvolgende jaar iets omhoog, de incidentie blijft, vergeleken met andere landen, nog steeds voorbeeldig laag. In 2009 ging het om 19 baby’s tegen 18 in 2008, 14 in 2007 en 11 in 2006. Belangrijk is dat met in begrip van de aangrenzende categorieën van doodsoorzaken het niveau vrijwel gelijk blijft: 32 in 2009, 29 in 2008, 31 in 2007 en 30 in 2006.
 
In 2009 registreerde het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag) in de doodsoorzakencategorie wiegendood/SIDS 19 kinderen tussen 1 week en 1 jaar. In de aangrenzende categorieën werden 13 gevallen geteld.
 
In 2009 werden 184.824 kinderen levend geboren, een fractie meer dan in 2008: 184.634. Het promillage wiegendood/SIDS was 0,10 (in 2008: 0,098 en in 2007: 0,077). De zuigelingensterfte (tot 1 jaar) bleef op 3,8 per 1000 levend geboren kinderen. 
 
In 2009 overleden in Nederland 1275 kinderen van 0 t/m 19 jaar. Van deze 1275 overleden er in het eerste levensjaar 382 door aandoeningen die ontstonden rond de geboorte of in de eerste week en 207 door aangeboren afwijkingen. Gedurende het jaar overleden alsnog 35 oudere kinderen als gevolg van deze aandoeningen. 
Kindersterfte doet zich het meest voor op zeer jonge leeftijd. Van de totale sterfte van kinderen en jongeren t/m de leeftijd van 17 jaar (de minderjarigen) treedt het overlijden in 6 van de 10 gevallen op vóór de eerste verjaardag, zo blijkt uit cijfers van het CBS.

Terug naar de inhoud


Hersenonderzoek naar rol van serotonine 

 
5 februari 2010
 
Uit fundamenteel onderzoek van wiegendoodbaby’s komen steeds meer aanwijzingen dat een belangrijke oorzaak voor het overlijden moet worden gezocht in een hapering van het vermogen om op het juiste moment wakker te worden. Er zijn ook epidemiologische studies die in die richting wijzen.
 
Ruim drie jaar na hun eerste publicatie in november 2006 signaleert een Amerikaanse groep wetenschappers in het tijdschrift JAMA (Journal of the American Medical Association) wederom een verband tussen een verstoorde serotoninehuishouding en wiegendood. De zogeheten neurotransmitter serotonine is van invloed op ademhaling en lichaamstemperatuur. Bij obductie bleek bij 41 tussen 2004 en 2008 overleden baby’s een opvallend lage aanwezigheid van deze stof.
 
De betreffende studies zijn stappen in de richting van het doorgronden van de oorzaak van de verstoring van het serotonine metabolisme bij SIDS-baby’s. Op welke wijze dat bijdraagt tot het plotseling overlijden echter is nog steeds onduidelijk.
Ook de nieuwe bevindingen verklaren niet waarom primaire en secundaire buikligging zo belangrijk zijn. Verzorgings- en ontwikkelingsfactoren lijken daar van invloed op te zijn en niet serotonine. Wel ondersteunen de jongste bevindingen het inzicht dat een (niet per se de) belangrijke oorzaak van wiegendood moet worden gezocht in de arousal functie (het vermogen om adequaat te ontwaken).
 
Vooralsnog is er geen enkel zicht op mogelijkheden om dit soort ontdekkingen te vertalen in preventieaanbevelingen. Buiten kijf staat dat de actuele preventieaanbevelingen (met ontraden van buikligging als grootste risicofactor) uitermate nuttig zijn en effect sorteren. Het volgen van de adviezen blijft onverminderd van belang.
 

Terug naar de inhoud


Met ingang van 1 januari 2010

Onderzoek na onverklaard overlijden minderjarigen 

 
27 december 2009
 
DEN HAAG – De overheid wil vanaf 1 januari 2010 artsen verplichten de gemeentelijk lijkschouwer te waarschuwen als een minderjarig kind onverwacht overlijdt en er geen duidelijkheid is over de doodsoorzaak. Dat gebeurt op grond van de gewijzigde Wet op de Lijkbezorging, die begin juni 2009 het parlement is gepasseerd. De wetswijziging maakt de weg vrij voor een niet-justitieel, medisch onderzoek naar de doodsoorzaak zonder dat daarvoor toestemming nodig is van ouders. De KNMG (Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst) heeft vlak voor kerst protest aangetekend, omdat de betrokken artsenverenigingen niet gereed zouden zijn om het verplichte postmortale onderzoek uit te voeren.
 
Een commissie van de KNMG (Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst) is al ruim een half jaar bezig met de uitwerking van de zogeheten NODO-procedure (van Nader Onderzoek Doodsoorzaak), maar zegt nu meer tijd nodig te hebben. De onderzoeksteams van kinderartsen en – pathologen zijn nog niet geformeerd en het is volgens de artsenorganisatie nu onduidelijk wat de lijkschouwer te doen staat. Zij spreekt de vrees uit dat er vaker dan nodig een door justitie gelast onderzoek zal volgen.
 
De verplichting tot postmortaal onderzoek kon pas worden vastgelegd, nadat Kamerleden die er meer inzicht in gevolgen van kindermishandeling van verwachten, daar al meer dan tien jaar op hadden aangedrongen. Medische beroepsgroepen en de ministeries van Justitie, Volksgezondheid en Binnenlandse Zaken echter hadden vele jaren nodig om het eens te worden over een aanvaardbare procedure.
 
Als een arts bij vaststellen van overlijden niet kan zeggen of de oorzaak natuurlijk of onnatuurlijk is, wordt hij voortaan verplicht tot overleg met een forensisch arts (de lijkschouwer). Kan ook deze geen verklaring vinden, dan dient een postmortaal onderzoek te volgen door een gespecialiseerd medisch team, indien nodig met inbegrip van sectie. Dat onderzoek is in beginsel niet afhankelijk van de instemming van de ouders.
Tot nog toe is met name sectie zonder toestemming van de ouders alleen mogelijk op last van de justitie. Na 1 januari 2010 kan een gerechtelijk onderzoek alleen worden ingesteld als enig vermoeden rijst van een misdrijf.
 
Stichting Wiegedood heeft altijd benadrukt dat een standaardprocedure zou kunnen leiden tot verhoging van kwaliteit en kwantiteit van de uitkomsten van het pediatrisch en post mortaal onderzoek van onverwacht overleden baby's. Tegelijkertijd heeft zij  gewezen op het belang van zorgvuldige omgang met getroffen ouders. In de nieuwe procedure wordt ruime aandacht besteed aan het empathisch benaderen en informeren van de nabestaanden.
 
Alle betrokkenen bij wiegendood - in de eerste plaats de getroffen ouders, maar ook artsen - zijn uiteindelijk het meest gebaat bij een zorgvuldig en volledig onderzoek naar de oorzaak van het overlijden. Een wettelijk verplichte standaardprocedure tot een in eerste instantie medisch onderzoek kan duidelijkheid scheppen en tevens voorkomen dat onnodige bemoeienis van politie en justitie extra belasting meebrengt voor nabestaanden.


Terug naar de inhoud


Affaire gifcontainers sleept zich voort  


Geactualiseerd: 6 juni 2009
 
NOORDEN – Opnieuw zijn in Rotterdam twee containers ontdekt met gifgas, dat ditmaal was doorgedrongen in voor baby’s bestemde medicijnen. De inspectie van VROM (ministerie van milieu) had ze gemist, maar de importeur greep in en liet de lading vernietigen.
 
De onrust over de invloed die uitdamping van in potentie dodelijke giffen kan hebben op de gezondheid, in het bijzonder wanneer het gaat om zuigelingen, ontstond al in 2000. Ondanks Kamervragen, aandringen op onderzoek en maatregelen door diverse instanties en aanhoudende media-aandacht heeft het ministerie van VROM sindsdien geen kans gezien het begassen van containers onder controle te krijgen. Tijdelijk werd vorig jaar iets scherper gecontroleerd. Op 1 maart van dit jaar kondigde de minister in het tv-programma Zembla strengere voorschriften aan voor bedrijven die begaste containers ontvangen. Op een in februari tot minister Cramer gericht verzoek van de stichting om opdracht te geven tot hernieuwd onderzoek naar de gezondheidsrisico’s is geen reactie gekomen. 
 
Het totnogtoe in Nederland verrichte onderzoek naar de invloed van gifgasrestanten in diverse artikelen die in containers ons land binnenkomen, is volstrekt onvoldoende om verantwoorde conclusies te kunnen trekken over de risico’s voor consumenten. Geruststellende conclusies van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat in 2007 twee producten – een matras en een paar schoenen – testte, zijn niet onderbouwd. In veelvoud en degelijker uitgevoerde Duitse tests wijzen op ernstige gezondheidsrisico’s voor consumenten.
 
Al enkele jaren adviseert de stichting consumenten om geen geïmporteerde babyartikelen (van vooral Chinese makelij) te kopen zolang niet onomstotelijk wordt aangetoond en gegarandeerd dat zij vrij zijn van voor baby’s gevaarlijke stoffen. Deze waarschuwing geldt in het bijzonder voor matrassen en kleding, waar baby’s intensief en langdurig mee in aanraking komen.
 
Na enkele gifschandalen hebben producerende landen maatregelen getroffen tegen de verwerking van giftige stoffen tijdens de productie van kleding en speelgoed, maar het fumigeren (begassen) van containers met levensgevaarlijke insectenbestrijdingsmiddelen gaat onverminderd door. Dat gebeurt in vele landen die naar de Europese Unie exporteren. Zeecontainers komen in zo groten getale Nederland binnen dat een waterdichte controle op de aanwezigheid van gifstoffen onmogelijk is. Slechts een fractie kan steekproefsgewijs door de Inspectie Milieuhygiëne van VROM worden nagelopen.
 
Bij aankomst in Europa dienen de containers te worden ontgast om risico’s voor havenwerkers te voorkomen. Soms gaat dat mis. In Nederland en Duitsland hebben verscheidene werknemers ernstige gezondheidsschade opgelopen. Ook na ontgassing echter blijven residuen van de gebruikte middelen achter in allerlei producten (meubelen, kleding, matrassen, medicijnen, voedingsmiddelen, speelgoed). Verpakkingen blijken de penetratie van de giffen niet tegen te houden. Eenmaal opgenomen staan de goederen de gifresten moeizaam, traag en niet volledig af. Het laatste geldt bij voorbeeld voor matrasjes van kunststof, die volgens deskundigen (toxicologen) vele maanden restanten zullen uitdampen. Gevreesd wordt dat dit op termijn tot ernstige gezondheidsschade kan leiden. Baby's lopen extra verhoogd risico, omdat zij met hun nog niet volledig ontwikkelde zenuwstelsel en relatief groter huidoppervlak veel kwetsbaarder zijn dan volwassenen.
 
Ook na ontgassing echter blijven residuen van de gebruikte middelen achter in allerlei producten (meubelen, kleding, matrassen, medicijnen, voedingsmiddelen, speelgoed). Verpakkingen blijken de penetratie van de giffen niet tegen te houden. Eenmaal opgenomen staan de goederen de gifresten moeizaam, traag en niet volledig af. Het laatste geldt bij voorbeeld voor matrasjes van kunststof, die volgens deskundigen vele maanden restanten zullen uitdampen. Gevreesd wordt dat dit op termijn tot ernstige gezondheidsschade kan leiden. Baby's lopen extra verhoogd risico, omdat zij met hun nog niet volledig ontwikkelde zenuwstelsel en relatief groter huidoppervlak veel kwetsbaarder zijn dan volwassenen.
 
In het Verre Oosten, i.c. in China en Japan, worden containers o.m. behandeld met methylbromide (dat o.m. ook de ozonlaag aantast en dat Europa het liefst zou uitbannen), met fosforwaterstof en met 1,2 dichloorethaan, dat als kankerverwekkend wordt beschouwd. Ook wordt soms het in Nederland niet toegelaten sulfurfluoride gebruikt. Soms duiken nieuwe middelen op. Houtaantastende insecten zijn ook te doden door oververhitting, maar dat is een relatief ingewikkelde en kostbare methode.
 
Alleen de Nederlandse overheid en de Europese Unie kunnen lacunes in de wetgeving dichten en falende controlesystemen verbeteren. Van leveranciers en importeurs kan worden verlangd dat zij op basis van extra testen kunnen garanderen dat hun producten veilig zijn.

Terug naar de inhoud


Baby overlijdt na wervelmanipulatie 

23 april 2009
 
In Nederland is een tweede geval aan het licht gekomen van een baby die overleed na wervelmanipulatie door een therapeut uit het niet-medische ‘alternatieve’ circuit. In het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde beschrijft een Nijmeegs medisch onderzoeksteam de behandeling met dodelijke afloop van een drie maanden oud meisje door een zogeheten ‘craniosacraal therapeut’. De ouders hadden zich daar gemeld wegens motorische onrust van hun overigens gezonde dochtertje. De behandelaar forceerde een diepe buiging van het hoofd, waardoor fatale schade ontstond in de wervelkolom.
 
Ofschoon het nuttig effect nooit is bewezen en risico’s zijn gebleken, worden manipulaties van hals en wervelkolom in vele landen toegepast door osteopaten, chiropractors, manuele en craniosacraal therapeuten, die zich baseren op niet aantoonbare syndromen als KISS en KIDD. Zij pretenderen een heilzame uitwerking bij zuigelingen op excessief huilen, motorische onrust en een asymmetrische voorkeurshouding van het hoofd. De aan het Nijmeegse Universitair Medisch Centrum St Radboud verbonden onderzoekers wijzen erop dat reeds in 2005 is gewaarschuwd voor de risico’s die zuigelingen lopen. Toen liep voor een Duitse baby het geforceerd draaien van het hoofd uit op overlijden.
 
 

Terug naar de inhoud


Kritiek op ontwerp-richtlijn Huilbaby weerlegd 

 
23 februari 2009  
 
BILTHOVEN – De kritiek en de daarmee gepaard gaande protesten, die eind januari hebben geleid tot het aanhouden van de richtlijn ‘Aanpak van excessief huilende zuigelingen’ is wetenschappelijk nauwelijks onderbouwd en vooral door emotie gevoed. Dat kan worden geconcludeerd uit een wetenschappelijke analyse van de ingebrachte bezwaren door TNO-onderzoeker dr. M.P. L’Hoir in opdracht van het centrum Jeugdgezondheid van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Het verslag is op de website van het RIVM gepubliceerd.
 
In de analyse wordt uitvoerig ingegaan op acht punten van kritiek, waarin onder meer wordt gesteld dat het onderbouwende onderzoek onvoldoende is, aandacht voor alternatieven ontbreekt, het in slaap laten huilen de baby schaadt en de hechting belemmert, borstvoeding in het gedrang komt, de voorlichting tekort schiet en dat gebruik van een kookwekker wordt aangeraden om een baby lang te laten huilen. L’Hoir toont bij elk van de punten aan dat de kritiek in essentie is gebaseerd op misinterpretatie, selectief of zelfs onjuist citeren uit onderzoek. Niettemin komt zij hier en daar aan bezwaren tegemoet.

Bij sommige punten lijkt althans een deel van de criticasters zich te baseren op eigen overtuigingen of zich meer te hebben laten leiden door ideologie dan door feiten ingegeven opvattingen. Dat vooral veroorzaakte eind januari nogal wat misbaar in diverse media en, nog voortdurend, op diverse websites.
 
De ontwerp-richtlijn zal de komende tijd met enkele bevindingen uit aanvullend onderzoek verder worden onderbouwd en ook worden enkele verhelderende tekstuele wijzigingen doorgevoerd. In een nieuwe overlegronde zal moeten blijken of alsnog het door het RIVM gewenste brede draagvlak kan worden verworven om de voorlopige richtlijn tot landelijke norm voor de hele jeugdgezondheidszorg te kunnen verheffen.
Zie voor meer informatie de rubriek Huilbaby.
 

Terug naar de inhoud


Nog geen sluitende verklaring gevonden

Relatief vaker wiegedood tijdens kinderopvang 

 
27 december 2008
 
AMSTERDAM - Dat wiegendood in kinderopvang (enkele gevallen per jaar) naar verhouding wat vaker voorkomt is in verscheidene wetenschappelijke studies vastgesteld. Totnogtoe echter verschillen de berekeningen van de hoogte van het risico flink en zijn er geen risicofactoren overtuigend naar voren gekomen. Vermoed wordt dat het om een samenloop van factoren gaat, waaronder de onrust, met stress als gevolg, van de ingrijpende veranderingen voor een baby bij de overgang van thuis naar opvang.
 
In kinderopvang krijgt preventie veel aandacht. In het door Stichting Wiegedood samengestelde model-protocol wordt specifiek aanbevolen om een baby samen met een ouder gedurende een periode te laten wennen aan de nieuwe situatie. Aandacht verdienen ook andere zaken die afwijken van thuis, zoals de potentieel verhoogde infectiekans door het samenzijn met andere kinderen en de organisatie van het toezicht.

Terug naar de inhoud


Advies Veilig Slapen aangescherpt

Hoestdrankjes minder onschuldig dan gedacht  

 
3 maart 2008

NOORDEN - In de reeks Veilig Slapen is het advies om bij een baby terughoudend te zijn met medicijnen en drogistenmiddeltjes aangescherpt. Toegevoegd is een waarschuwing tegen gebruik van hoestdrankjes als een baby verkouden is of hoest. Van dergelijke middelen is geen nut aangetoond. Wel blijkt uit Amerikaans onderzoek dat vrij verkrijgbare preparaten op basis van antitussiva, antihistaminica, vasoconstrictoren en expectorantia ongewenste bijeffecten kunnen opwekken en bij overdosering zelfs levensgevaarlijk kunnen zijn.

De Amerikaanse Food and Drug Administration en het Belgisch Centrum voor Pharmacotherapeutische Informatie adviseren sinds de publicatie van de studie in het wetenschappelijke vakblad Pediatrics in januari om kinderen jonger dan 2 jaar bij banale verkoudheid en hoest geen geneesmiddelen of drogistenmiddeltjes te gebruiken, maar ze alleen goed te laten drinken en eten. De ongewenste effecten zijn weliswaar zeldzaam, maar ernstig van aard: hartritmestoornissen, stuipen en verlies van bewustzijn.

Punt 7 van de adviezen Veilig Slapen ‘Gebruik geen geneesmiddelen met slaapverwekkende bijwerking’ luidt nu als volgt:

‘Sommige geneesmiddelen zijn gevaarlijk voor baby's. Ze kunnen een baby te diep laten slapen. Moeders die borstvoeding geven, moeten deze medicijnen ook vermijden. Lees altijd de bijsluiter. Raadpleeg bij twijfel de dokter.

Wees altijd terughoudend met medicijngebruik bij baby's en peuters. Van de uitwerking van medicijnen op baby's is vaak te weinig bekend. Grijp ook niet lichtvaardig naar zogeheten drogistenmiddeltjes - de effecten zijn over het algemeen twijfelachtig en in combinatie met medicijnen kan risico ontstaan. Overleg altijd met uw dokter.

Hoestmiddeltjes hebben geen effect en kunnen zelfs nadelig uitpakken. Goed laten drinken is beter.

Geef een baby ook geen honing, want honing kan sporen bevatten van een voor een baby levensgevaarlijke bacterie.’


Terug naar de inhoud


Belgische instanties raden slaaptest nu ook af

Monitoren kunnen wiegendood niet voorkomen 

 
25 april 2007; aangevuld op 13 november 2007
 
NOORDEN - Medische monitoren zijn geen preventiemiddel voor wiegendood. Zij bewijzen goede diensten, wanneer er aanwijzingen zijn dat er met een baby iets aan de hand is dat bewaking rechtvaardigt, maar ze kunnen geen ontwikkelingen voorspellen. Zogeheten slaaptesten, die met een monitor worden uitgevoerd, hebben geen betekenis. Het is niet zinvol om een gezonde baby te koppelen aan een monitor.
 
Langdurig en veelvuldig onderzoek naar de mogelijkheden om door monitoring het risico op wiegendood te verminderen heeft uiteindelijk wereldwijd onderzoekers ervan overtuigd dat hierdoor geen voordelen zijn te behalen. In België is het geloof in slaaptesten eind 2006 definitief opgezegd. De American Academy of Pediatrics, de Amerikaanse wetenschappelijke vereniging van kinderartsen, ging in april 2003 overstag door publicatie van een zogeheten ‘policy statement’ (beleidsdocument) in het gezaghebbende medische vakblad Pediatrics', waarin wordt geconcludeerd dat ondanks de vele onderzoeken die daar in de loop der jaren naar zijn gedaan nimmer is gebleken dat monitoren een preventieve functie hebben t.a.v. wiegendood, noch in staat zijn om het overlijden van aangesloten kinderen in alle gevallen te voorkomen. Onder monitoren worden verstaan hoogwaardige cardiorespiratoire (hartslag en ademhaling registrerende) apparaten met geheugen. Aanbevolen wordt het voorschrijven van een monitor voortaan te beperken tot een beperkt aantal specifieke diagnosen van prematuren (te vroeg geboren baby’s). Bovendien is het verstandig per geval een tijdsduur af te spreken; een duidelijke instructie en training van de ouders, inclusief het leren van reanimatie, wordt absoluut noodzakelijk geacht. Na alarm is het niet het apparaat dat een baby mogelijk uit een penibele situatie kan redden, maar een hulpverlener die weet wat hem of haar te doen staat.
 
Anders dan in Nederland zijn gedurende vele jaren in de Verenigde Staten en in België, medische monitoren op grote schaal ingezet in de veronderstelling dat men daarmee de kans op wiegendood zou verminderen. Het Belgische Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) kwam eind december 2006 op basis van een inventariserend onderzoek tot de conclusie dat slaaptesten ‘een maat voor niets’ zijn.
In Nederland is de afgelopen decennia het accent vooral gelegd op een groeiende reeks van preventieve maatregelen die de incidentie zeer sterk blijken te beperken. Het inzetten van een monitor werd en wordt in voorkomende gevallen wel nuttig geacht om niet op andere wijze te matigen angst van (wiegendood)ouders te beteugelen. En uiteraard is nimmer getwijfeld aan de mogelijkheid om met behulp van monitoren gegevens te verzamelen die voor het ontwikkelen van meer inzicht onontbeerlijk zijn. Maar het wordt niet ethisch verantwoord en zinvol gevonden om baby's zonder medische geschiedenis aan een monitor te koppelen.

Wereldwijd is men er thans van overtuigd dat promotie en toepassing van de bewezen preventieaanbevelingen alle voorkeur verdient boven bewakingsapparatuur. De hypothese dat apneu de voorloper is van SIDS, waarvan voor het eerst werd gerept in 1972, is ondanks intensief onderzoek nooit bewezen. En obstructieve apneu kan onmogelijk betrouwbaar worden gesignaleerd door de ademhalingsapparaatjes (sensormatjes) die voor thuisgebruik worden aangeprezen.
Met dergelijke apparaatjes wordt druk geadverteerd sinds de publicatie van een krantenbericht op 11 november 2007. Anders dan dit bericht suggereert kan niet worden aangetoond dat zij levensreddend zijn. Zie voor een uitgebreide toelichting de rubriek Producten veilig/onveilig.

Terug naar de inhoud


Gedragen door artsenorganisaties

Nieuwe Richtlijn voor preventie vervangt Consensus 

 
6 maart 2007
 
UTRECHT - De uit 1996 daterende consensus Preventie van Wiegendood is vervangen door de richtlijn 'Preventie wiegendood', die is geautoriseerd door de Artsen Jeugdgezondheidszorg Nederland (AJN) en de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK). In de praktisch toe te passen preventieadviezen zijn de ontwikkelingen van de afgelopen tien jaar verwerkt. Het belangrijkste onderscheid met de consensus echter is de veel uitgebreidere wetenschappelijke onderbouwing.

 

Stichting Wiegedood en de Landelijke Werkgroep Wiegendood zijn door vertegenwoordiging in de voorbereidende werkgroep nauw betrokken geweest bij de herziening en zijn verheugd over het resultaat. De richtlijn besteedt onder meer aandacht aan de opvattingen over samen slapen van jonge zuigelingen met de ouders, zoals die afgelopen zomer (2006) in Medisch Contact nog zijn besproken en becommentarieerd.

De herziene richtlijn is te vinden op Pedianet. In de bijlagen zijn opgenomen de publieksadviezen en het protocol voor kinderopvang dat door deze stichting is ontwikkeld. 


Terug naar de inhoud


Peiling maakt trends zichtbaar in omgang met baby’s

Minder bedeelde groepen zien risicofactoren over het hoofd 

 
januari 2006
 
NOORDEN - Alleenstaande moeders leggen hun baby vaker op de buik te slapen, ze gebruiken vaker een dekbed en nemen hun jonge kind meer bij zich in bed dan anderen. Ook allochtone vrouwen doen dat. De babyslaapzak is bij moeders van buitenlandse afkomst veel minder populair dan bij Nederlanders. Werkloosheid, jeugdige leeftijd, lager opleiding en alleenzijn zijn omstandigheden waarin minder veilige methoden van verzorging ondanks de adviezen standhouden.
 
Deze trends komen naar voren uit een peiling naar verzorgingsgewoonten onder ouders en verzorgers van 2900 baby’s, die begin 2003 is gehouden. Het beeld komt in grote lijnen overeen met onderzoeken in andere landen die aangeven dat preventieaanbevelingen het moeizaamst doordringen tot minder bedeelde groepen. Thans loopt in Nederland een volgende, meer uitgebreide peiling, waarvan de uitkomsten mogelijk later dit jaar beschikbaar komen.
 
Dat de breed gedragen veiligheidsadviezen in de samenleving wel degelijk effect hebben blijkt uit het dalen van het percentage moeders dat rookt na de zwangerschap van 20 procent in 1999 naar 13 procent in 2003, de teruggang van dekbedgebruik van 18 naar 7 procent en het nog iets verder afnemen van buikslapen van bijna 8 naar ruim 6 procent. Vooruitgang werd genoteerd voor borstvoeding, vooral zichtbaar in de afname van het aandeel kunstvoeding van 78 tot 63,5 procent. Het fopspeengebruik daarentegen liep iets terug.  
 
Het advies om een baby tenminste het eerste halfjaar en liever nog het hele eerste jaar dichtbij de ouders in een eigen wieg of bedje te laten slapen wordt het meest gevolgd door oudere (35 jaar en ouder) en hoger opgeleide moeders, maar ook ouders die niet in Nederland zijn geboren doen dat opvallend vaker dan gemiddeld (40 tegen 22 procent). Opvallend is dat samen in één bed slapen zich het vaakst (8 procent) voordoet in de meest riskante periode van de eerste levensmaanden en daarna afneemt.
 
De peiling werd in opdracht van de stichting uitgevoerd door TNO Preventie en Gezondheid (thans Kwaliteit van Leven), met medewerking van 246 consultatiebureaus. De volledige uitkomsten worden verwerkt in een rapport en een wetenschappelijke publicatie die binnenkort worden verwacht.
 

Terug naar de inhoud


Nederlands onderzoek signaleert schudden, smoren en slaan

Vijf procent ouders gaat ruw om met huilende baby 

oktober 2004

LEIDEN - Een op de twintig ouders in Nederland reageert op huilen van hun baby op een wijze die grenst aan mishandeling. Ze schudden de baby door elkaar, smoren het geluid met hand of doeken of ze delen tikken uit. Dat blijkt uit een onderzoek van TNO Preventie en Gezondheid dat is gepubliceerd in het vooraanstaande medische vaktijdschrift The Lancet van 7 oktober 2004.

TNO onderzocht de reacties op het huilen van 3259 zuigelingen van een tot zes maanden oud. Dat gebeurde in samenwerking met de Rijksuniversiteit Groningen, het Leids Universitair Medisch Centrum, de Vrije Universiteit en de GG&GD Amsterdam.
De meeste risico's lopen baby's van ouders uit niet-westerse landen, van werkloze ouders of ouders die samen minder dan 16 uur werken, en van ouders die het huilen excessief vinden. In deze groepen is ook in het algemeen de kans op mishandeling groot.

Het gaat vaak om gezinnen met sociaal-economische achterstand, met een culturele achtergrond die geweld toestaat, of gezinnen die uiteenvallen of sociaal geïsoleerd zijn.
De onderzoekers vinden dat consultatiebureaus en andere zorgverleners zich bewust moeten zijn van de risico's die kunnen ontstaan als ouders aangeven dat hun baby erg veel huilt en het gezin sociaal onder druk staat. Ouders en verzorgers moeten leren dat huilen hoort bij zuigelingen: een baby van 1 maand oud huilt gemiddeld 1,5 uur per dag.
Uit diverse eerdere studies is bekend dat aanleg van een kind en gedrag van de ouders samen kunnen leiden tot onrust en slaapproblemen. In de regel onbewust zien ouders over het hoofd dat hun kind het beste zelf in het eigen wiegje of bedje in slaap kan vallen. Zij wachten bij voorbeeld met naar bed brengen totdat het kind al elders in slaap is gevallen, of zij gaan bij het minste geringste met het kind rondlopen en/of wiegen. In plaats van de baby rust en regelmaat te geven, dienen zij op die manier prikkels toe en stimuleren zij de onrust en daarmee de kans op slaapproblemen en huilgedrag. Vaak denken de ouders zelf dat hun optreden rustgevend is, maar zien ze over het hoofd dat kinderen kunnen leren om te huilen als op het eerste teken van ontwaken wordt gereageerd met stimulerend gedrag. Daardoor ontstaat een vicieuze cirkel van actie en reactie.

Hierdoor kan een situatie groeien waarin ouders onder grote spanning komen en waarin zij min of meer wanhopig op zoek gaan naar oplossingen. Sommige ouders kiezen ervoor om hun baby tegen alle adviezen in dan toch maar op de buik te slapen te leggen. Uit de cijfers blijkt helaas dat huilbaby's oververtegenwoordigd zijn onder de wiegendoodbaby’s.

Terug naar de inhoud


Hoger wiegendoodrisico en levenslange consequenties voor de gezondheid

Schade door roken voor en na geboorte onderschat 

 
november 2003

DEN HAAG - Niet alleen roken, maar ook meeroken leidt tot aanzienlijke toeneming van overlijdensrisico en schade aan de gezondheid, zo rapporteerde de Gezondheidsraad medio november 2003 aan de Nederlandse regering. De raad had een inventarisatie gemaakt van diverse grote studies en de uitkomsten herberekend naar de Nederlandse situatie. De kansen op longkanker en hartaandoeningen nemen als gevolg van meeroken fors toe, het risico van wiegendood verdubbelt, het geboortegewicht van baby's neemt er door af, de kans op infectie van de luchtwegen bij kinderen neem fors toe, het taal- en leervermogen wordt negatief beïnvloed en bij volwassenen stijgt het aantal chronische luchtwegklachten.

In de oorspronkelijke versie werd aangegeven dat er jaarlijks enkele tientallen gevallen van wiegendood aan meeroken zouden kunnen worden toegeschreven. Aangezien de huidige incidentie in Nederland zich beweegt tussen circa 25 en 35 gevallen per jaar, moest dit punt kort na de openbaarmaking worden gecorrigeerd. Op hoofdlijnen werd het rapport echter niet in twijfel getrokken. Heel verrassend waren de conclusies ook niet.

In 2000 al betoogden drie kinderartsen/onderzoekers in het artikel ‘Nadelige effecten van passief roken op het (ongeboren) kind, dat 23 februari verscheen in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, dat passief roken door (ongeboren) kinderen zo schadelijk is dat de samenleving daar meer aandacht aan zou moeten geven. Een van de drie was prof. dr. J.C. de Jongste, onder wiens leiding nu het rapport van de Gezondheidsraad is opgesteld. Hij maakte samen met arts-onderzoeker W. Hofhuis en dr. P.J.F.M. Merkus, verbonden aan het Rotterdamse Sophia Kinderziekenhuis, Erasmus Medisch Centrum, de balans op van een reeks recente onderzoeken. Zij stelden vast dat er veel bekend is over de effecten van passief roken op de sterfte (wiegendood) en op allerlei vormen van morbiditeit (ziekelijkheid), maar dat het voorlichten van rokende ouders door huisarts, verloskundige, kinderarts en internist/longarts beter kan.

Tot de bewezen effecten van roken tijdens de zwangerschap behoren: een lager geboortegewicht, een kleinere schedelomtrek, een veel hogere incidentie van wiegendood, meer kans op meningokokkenziekte, meer acute lageluchtweginfecties, vaker optreden van piepende ademhaling in de kleuterjaren, meer astmatische symptomen tussen 5 en 16 jaar, meer ‘volzitten’ en hoesten in dezelfde leeftijdsgroep, afname van de longfunctie en vaker middenooroorstekingen. Waarschijnlijk is dat de ontwikkeling van de longfunctie van de nog ongeboren baby wordt belemmerd en er zijn aanwijzingen dat er verband bestaat met gedragsstoornissen als aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD).

Roken tijdens de zwangerschap, zo was toen al de conclusie, heeft levenslange consequenties voor het kind. Het beter voorlichten daaromtrent van zwangeren zou een belangrijke bijdrage kunnen zijn aan de preventie.

Terug naar de inhoud


Jaar na eerste peiling in Friesland verbetering zichtbaar:

Minder baby's onveilig vastgelegd in bed 

 
november 2004

LEEUWARDEN - Het aantal baby's en peuters dat in Friesland in bed wordt vastgelegd is het afgelopen jaar gedaald. Volgens een enquête onder 3500 ouders via alle consultatiebureaus in de provincie ligt nu nog bijna 10 procent tijdens het slapen vastgebonden, terwijl het een jaar eerder nog ging om ruim 13 procent. Volgens de drie Friese thuiszorgorganisaties die de peiling organiseerden, blijkt bij de helft van de kinderen het vastleggen op een riskante manier te gebeuren. De uitkomsten gelden alleen voor Friesland, maar kunnen een indicatie zijn voor de situatie in de rest van het land.

De eerste peiling baarde vorig jaar opzien, toen bekend werd gemaakt dat een kwart van de Friese baby's tussen een half en anderhalf jaar oud 's nachts werd vastgelegd met banden of klemmen. Bij drie van de vier gebeurde dat op een riskante manier, met ondeugdelijk materiaal, dat ook vaak op onjuiste wijze wordt toegepast. Deze cijfers kwamen uit een enquête onder ruim 3000 ouders. Nu pas blijkt dat in de eerste peiling ten onrechte ook inbakeren te zijn beschouwd als vastleggen, zodat de cijfers moesten worden gecorrigeerd.

Verspreid over het hele land zijn de afgelopen jaren verscheidene dodelijke ongelukken gebeurd met baby's die op een verkeerde wijze en in strijd met de gangbare adviezen waren vastgelegd. Begin juli 2004 verbood de Voedsel en Warenautoriteit/Keuringsdienst van Waren wegens dodelijke ongelukken het gebruik van een slaapzakriem die met een onjuiste gebruiksaanwijzing in babyzaken te koop werden aangeboden.

Als reden voor het vastleggen noemden ouders in de Friese enquête het vaakst het voorkomen van draaien naar de buik. Bij baby's boven een jaar ging het meer om het verhinderen van blootwoelen en uit bed klimmen. Een meerderheid van de ouders gaf aan geen informatie te hebben over fixeren. Er werden veel in babyzaken aangeschafte attributen gebruikt die al jaren lang om veiligheidsredenen worden ontraden.

Fixeren of vastleggen is in Nederland geen gebruikelijk advies, omdat er te veel risico's voor de veiligheid en bezwaren inzake motorische ontwikkeling aan zijn verbonden. Het wordt in beginsel afgeraden en slechts bij hoge uitzondering onder bijzondere omstandigheden geadviseerd. Ouders die het desondanks toch willen doen, wordt dringend aangeraden zich te voorzien van deugdelijk materiaal en een goede instructie. Bovendien wordt met klem ontraden om het dan nog boven de leeftijd van 9 maanden doen. In babywinkels worden ondeugdelijke attributen zonder of met onjuiste instructie aangeboden, waarmee ongelukken kunnen gebeuren.

De Stichting Wiegedood benadrukt dat fixeren niet hoeft te worden overwogen als de preventie aanbevelingen uit Veilig Slapen zorgvuldig worden gevolgd. Daarbij is van belang de baby overdag al vertrouwd te maken met omrollen van en naar de buik. Bij de stichting zijn inmiddels zes gevallen bekend van overleden baby's die niet op een veilige manier en boven de in de uitzonderingsgevallen als uiterst geadviseerde leeftijdsgrens waren vastgelegd.

Terug naar de inhoud


Britse studie concludeert na jarenlang volgen van duizenden kinderen:

Herhaling wiegendood in gezin meestal onverdacht 

 
update: april 2005

LONDEN - Een tweede of zelfs een derde geval van wiegendood in een gezin is iets minder uitzonderlijk dan tot nog toe werd aangenomen. In verreweg de meeste gevallen valt dit overlijden ook na grondig onderzoek niet te verklaren. In een kleine minderheid echter is er reden de dood als 'onnatuurlijk' te verklaren, dat wil zeggen toe te schrijven aan (mis)handelen door een ouder of verzorger of aan het onthouden van zorg. Die conclusie wordt getrokken in een studie naar de lotgevallen in het eerste levensjaar van 6373 Britse kinderen die volgend op een wiegendoodbaby werden geboren. Het volledige onderzoek is gepubliceerd in het toonaangevende medische tijdschrift The Lancet van 1 januari 2005.

De studie maakt duidelijk dat een jaar geleden terecht de wetenschappelijke bodem is weggeslagen onder wat bekend stond als 'Meadow's Law' - de lange tijd in Groot-Brittannië als vuistregel gehanteerde opvatting van kinderarts prof. Sir Roy Meadow: "Eén geval van wiegendood is een tragedie, bij een tweede keer is het verdacht en bij een derde keer is het moord, tenzij het tegendeel wordt bewezen". Nadat in drie beroepszaken ernstige twijfel was gerezen aan de houdbaarheid van deze redenering, zag de Engelse justitie zich geplaatst voor de noodzaak om 297 vonnissen wegens kindermoord opnieuw te bezien. Inmiddels heeft de justitie vastgesteld dat 28 zaken over een periode van tien jaar voor herbeoordeling in aanmerking komen; vijf daarvan zijn inmiddels in behandeling, in een zesde geval is een moeder die twee kinderen verloor onlangs vrijgesproken.

De in The Lancet gepubliceerde studie is uitgevoerd onder leiding van de Engelse epidemioloog prof. Bob Carpenter, met medewerking van onder anderen de Nederlandse kinderpatholoog prof. Jonne Huber. De onderzoekers konden dank zij hun zogeheten CONI (care of next infant)-programma, bijna alle kinderen volgen die werden geboren in gezinnen waar eerder een baby onverwacht was overleden. Haast alle in aanmerking komende ouders in Engeland, Wales en Noord-Ierland maken gebruik van dit programma, dat intensieve begeleiding biedt.

Tussen 1988 en 1999 volgde CONI 6373 kinderen in 5229 gezinnen. In 1144 gevallen (22 procent) ging het om een broertje of zusje van een eerder CONI-kind. Van alle gevolgde kinderen overleden er in het eerste levensjaar 57. In 9 gevallen was dat het gevolg van een bekende ziekte of een aangeboren afwijking. In 41 van de 48 resterende gevallen leidde nauwgezet onderzoek tot de conclusie van een weliswaar onverklaarbare, maar natuurlijke dood. Zeven maal rees er een ernstig vermoeden of werd infanticide aangetoond, in twee gezinnen werden twee volgende baby's het slachtoffer.

Prof. Huber wijst erop dat de grote omvang van de studie het mogelijk maakt de herhalingskans van wiegendood en het aandeel van infanticide betrouwbaar te kwantificeren, meer dan tot nog toe mogelijk was, in elk geval voor Engeland. "Wij hebben gevonden dat in ongeveer 10 procent van de gezinnen waar zich een volgende wiegendood voordeed, er sprake was van een onnatuurlijke oorzaak van overlijden. Voor de totale sterfte onder het beeld van wiegendood is het 3 tot 4 procent. Er is dus geen reden om ouders na een onverwacht en plotseling overlijden zonder meer onder verdenking te plaatsen. Wel is het zaak om in alle gevallen van plotseling en onverwacht overlijden een volledig pediatrisch en postmortaal onderzoek in te stellen om zo dicht mogelijk bij de oorzaak te komen. Dat biedt getroffen ouders de grootst mogelijke kans om te weten te komen wat er is gebeurd en hen te vrijwaren van onterechte verdenking bovenop hun al zo grote verdriet.''

Terug naar de inhoud